Tekstje:

"Ik ben namelijk een beetje raar….

Ik loop op straat, zie allerlei mensen. Mannen, vrouwen, kinderen. Gehaast, alleen, samen, met hun gedachten, hun leven. Zien ze mij ? Ik voel dat we iets gemeen hebben. We lopen allemaal op dezelfde straat, op hetzelfde moment. Ik zou ze willen begroeten, naar ze lachen, “hier ben ik” roepen. Ik voel dat ik ze ken, bij ze hoor en zij bij mij. We maken geen contact, hebben zo op het oog niks met elkaar. Ze lopen me voorbij. Hebben we wel iets gemeen ?

Als een robot voeg ik me bij de andere winkelende mensen in de supermarkt en zoek, net zo automatisch als zij, mijn boodschappen bij elkaar. Ik zie de ander niet, ik doe boodschappen. Dan begeef ik me richting uitgang. Als een goed kuddedier sluit ik me aan bij de rij wachtenden bij kassa 4 en wacht. Achter me een echtpaar, voor me een mevrouw. Zien ze mij ? Het echtpaar maakt ruzie over hoe de band van de kassajuffrouw te vullen met boodschappen. Eerst de zware dingen, dan de breekbare. De vrouw heeft geen hoge pet op van haar man, hij snapt ook niks natuurlijk. Haar manier is al jaren de beste, natuurlijk. De schijn op houden, goed voor de dag komen, niet uit de toon vallen. Hij zou dat toch onderhand moeten weten, lees ik op haar gezicht. En: Mannen zijn dom. Ze schaamt zich voor hem. Toch is hij wel oké, denk ik. Hij ziet er oké uit. Ik zou het hem willen zeggen, hij kijkt zo treurig. Ik voel zijn desillusie, verslagenheid. Ik zou willen zeggen dat hij het nooit op moet geven. Ik doe het niet, natuurlijk.

De mevrouw vóór me is klaar en stopt haar boodschappen in haar tas. Eén gebakje, één stukje vlees, een half litertje melk, twee banaantjes. Ze kijkt niet vrolijk, wel lief, vind ik. Eenzaamheid. Zou ze bezoek willen ? Ik denk het wel. We zouden kunnen kletsen, ik zou van haar kunnen leren, haar wijsheid aanraken.

Ik ben aan de beurt en zie aan het rode naamplaatje dat de kassajuffrouw eigenlijk José heet. Zal ik haar zo noemen ? Ik zie er vanaf. Waarom eigenlijk? Zie ik háár ? Ik vóel haar. Ze werkt hard, heeft geen keus. Eigenlijk te hard, slecht voor haar gezondheid. Grauw.

Ik reken af en zeg netjes “Hetzelfde !” tegen José, als antwoord op haar standaard “Prettige dag verder !” en loop de winkel uit. Ze heeft me niet gezien. Zorg goed voor jezelf, José.

Snel mijn portemonnee in mijn tas terug, je weet maar nooit. Je weet niet wie er allemaal in de supermarkt rondloopt, tegenwoordig. Wie kun je vertrouwen ? Wie kun je rustig aankijken, om te zien of hij te vertrouwen is ? Wie voelt zich niet door mij “gezien” als ik hem aankijk ? Wie vertrouwt mij ? Wie kijkt mij rustig aan, wie mag ik zien ? Bedreigend. Ik ben namelijk een beetje raar.

Ik ga naar huis, eet wat en kleed me om. Verjaardag vanavond. Mijn haar zit goed vandaag.

Ik pak het cadeau in. Ik heb er lang naar gezocht, geprobeerd iets persoonlijks te kopen. Ik probeer het ook “persoonlijk” in te pakken. Speciaal papiertje uitzoeken, leuk bijpassend lintje, kaartje met “Proficiat”.

Ik meen het, ik gun de jarige nog een lang leven. Maar wil ik eigenlijk niet iets anders zeggen ? Bedoel ik eigenlijk niet “Ik weet wie je bent, ik hou van je, mijn hart gaat naar je uit en ik ben zo blij dat je in mijn leven bent” ? Ik zeg het niet. Dat zou stom zijn. De jarige zou in verlegenheid gebracht worden, gok ik. En alle gasten trouwens ook. En dan ik dus ook. Dat is in ieder geval níet mijn bedoeling. Ik laat het maar gewoon zo en trek de deur achter me dicht.

Onderweg krijg ik spontaan een lied in mijn hart. Niet alleen in mijn hoofd, bij mij gaat alles ook door mijn hart, ik ben een beetje raar, namelijk. Het is een opbeurend lied, “Truth will set you free” heet het. Het gaat over waarheid, liefde, samen. Het voelt aan als een bevrijding. Dan ben ik er. Nummer twaalf.

Ik bel aan, er zitten al mensen aan taartjes en koffie, zie ik door het raam. “Hallo, hoe is het ?” wordt me gevraagd. “Prima !” wordt door mij geantwoord. Ik feliciteer de jarige en geef haar drie kussen en het persoonlijke cadeau. Ze pakt het uit en is er blij mee, natuurlijk. Maar ze was natuurlijk met alles blij. Persoonlijk of niet. Zou het papier en het lintje opgevallen zijn ? Ik hoop op een stroom van gevoel en verbondenheid en erkenning maar neem genoegen met “Ga zitten”. Ik ga zitten en krijg een kopje thee en een gebakje. Ook lekker.

Even wordt ik begroet door de anderen. Ze vragen me hoe het met me gaat en ik zeg dat het goed gaat en ze zeggen dat ik er goed uitzie en ik zeg dankjewel en ze vragen waar ik nu werk en ik zeg dat ik schrijf. “Al twee jaar”, zeg ik er niet bij. Dan is het gesprek met mij, “de nieuwkomer” weer over. Het gaat weer over het weer. Ik kijk rond en zie iedereen zitten. Ik zie tante zus die leuk mee doet maar verdrietig is. Ik zie oom zo die eigenlijk thuis had willen zijn om die voetbalwedstrijd te zien. Ik zie allemaal mensen die een mooi toneelstuk opvoeren. Een toneelstuk over een verjaardag, samenzijn, vieren, gezelligheid. Ik zie pijn, verdriet, boosheid, ontevredenheid. Zien ze mij ?

Het gaat over gebak, vakanties, de volgende verjaardag. Wanneer, bij wie, hoe laat. Ik eet een stukje kaas en een toastje. Drink een Spa-rood en lach beleefd om een grapje. Mensen zien me liever niet. Ik zie hèn en dat is eng. Of beter gezegd, mensen zien liever niet dat ik hen zie. Ze ontwijken me liever. Ik ben namelijk een beetje raar. Ze zeggen niks maar ik weet het wel. Ik houd me afzijdig, dat is beter. En zij luisteren niet zo goed naar me, dat is veiliger. Dus zeg ik ook maar niks echts, dat is minder verdrietig. Ik speel het spel mee.

Dan is het feest over en sta ik op om mijn jas te pakken. “Leuk dat je er was !”. Ja, tot ziens.

Onderweg naar huis voel ik me leeg. Er loopt een man met een hondje. Hij praat tegen het hondje alsof het zijn kind is. Spanning in het bovenlijf, hoge ademhaling, voel ik. Ik vraag het niet. Ik wil namelijk helemaal niet raar zijn.

Ik maak mijn voordeur open en betreed mijn lege huis. Ik ben moe van het geroezemoes en mijn kaken doen pijn van het geforceerde glimlachen. Ik loop de trap op naar mijn slaapkamer en trek mijn kleren uit. Ze ruiken naar rook. Ik trek mijn pyjama aan en weer uit, het is te warm. T-shirt is beter. Dan ga ik de badkamer in en pak mijn tandenborstel. Even alle smaken wegpoetsen. Gebakje, kaasje, toastje. Terwijl ik mijn tanden poets kijk ik in de spiegel. Plotseling stopt mijn arm met de ritmische poets-beweging, mijn tandenborstel blijft doelloos in mijn mond hangen. Ik staar voor me uit, zie de ogen in de spiegel en kijk naar binnen. Mijn schouders ontspannen, een last lijkt van me af te vallen. Van binnen wordt ik warm. Wat ik zie bevalt me. Ik zie liefde. Ik zie rust. Ik zie mezelf. Ik ben niet langer raar, ik ben gewoon bijzonder…."